TUINTHEMA: GANZEN

VOOR ANTWOORDEN OP TUINVRAGEN IS GROEN&ZO HET GOEDE ADRES

GANZEN

Boekenlijst

Inmiddels hebben we een haat-liefdeverhouding met de ganzen die het watergebiedje achter onze tuin bevolken, want soms zijn het er wel erg veel. Gelukkig wordt er landelijk naar een oplossing voor de te snel gegroeide populatie gezocht. Daar vestigen wij onze hoop dan maar weer op.

Ondanks dat we de snaterende en nimmer niet-poepende ganzen (vooral Brandganzen) als een overlast ervaren, zijn er ook van die momenten dat je bijzondere dingen meemaakt met een enkel exemplaar, waarvoor je dan gewoon menselijke dierenliefde voelt en je probeert te redden wat je op het zelfde moment eigenlijk verfoeit.

Een voorbeeld daarvan is onderstaand verhaal over een ‘de ouwe Canadees’ die wij op den duur voor het gemak gewoon maar Douwe hebben gedoopt.

Er zijn meestal maar enkele paren Canadese ganzen en één paar Nijlganzen. De kuikens van de Nijlganzen lijken wel kleine rozijntjes. De Brandganzen hebben grijzige kuikens en de Canadese ganzen hebben gele kuikens die al snel wat meer uit de kluiten gewassen zijn dan de andere soorten kuikens. Ooit zagen we één zo’n groot geel kuiken meehobbelen met een Brandganzenfamilie. Kennelijk was hij zijn ouders kwijt en was hij door een andere familie geadopteerd.

 

De ouwe Canadees en de familie Nijl

Het was zo’n beetje in juni dat we hem voor het eerst zagen, de oude Canadese gans. Eén van zijn vleugels hing er wat verloren bij en hij waggelde over het gazon. Soms leek het iets beter te gaan, maar vliegen deed hij niet meer. Hij graasde wat, rustte uit in de zon of ging een stukje zwemmen. Zijn lijf en hals waren wat dikker dan normaal, waarschijnlijk omdat hij minder beweging had. Het leek hem ondanks alles nog wel redelijk goed te gaan. Toch belden we in juli even met de vogelopvang, voordat we drie weken op vakantie zouden gaan. We mochten hem wel brengen en als ik hem niet durfde pakken, kon ik eventueel de dierenambulance bellen. Maar de ouwe Canadees liep altijd naar het water als je naar hem toeliep en echt moedig ben ik in die zin ook niet, eerlijk is eerlijk. De dierenambulance zei dat als wij hem niet te pakken kregen, zij dat ook niet konden. Dat is natuurlijk waar. De dierenambulance zei, dat we dan moesten wachten totdat hij in het najaar zou verzwakken. Nu kon hij zich nog redden, dus konden we het ’t beste maar zo laten. Met het idee dat we er nu dus niets aan konden doen gingen wij op vakantie.

Net als voorgaande jaren hadden we ook dit jaar weer vele ganzenparen hun nest zien bouwen, broeden en de jongen grootbrengen. We hebben het nog vreselijk druk gehad toen in mei en nogmaals begin juni een losgebroken jachthond (ergens bij Oudkarspel uit de buurt) het vogelgebied tot zijn kermis verklaarde. De eigenaar kreeg de hond niet onder appèl en kwam de tweede keer zelfs helemaal niet opdagen. Uren liepen wij door het gebied te jagen op de hond. Hij groef nesten omver, zwom achter alle beesten aan en verjoeg meerkoeten van hun nest. Op één van de eilanden zat een brandganzenstel te broeden. We hadden de jongen nog niet gezien, maar het koppeltje broedde trouw door. Eerdaags zou het wel zover zijn. Toen de jachthond dat ook ontdekte hebben wij hem met een lang touw met een grote knoop erin steeds weer bij het nest weggejaagd. De ganzen stonden ons toe dichtbij te komen. Misschien begrepen ze dat we ze hielpen. Maar goed dit is even tussendoor om aan te geven hoe al het vogelleven in onze achtertuin ons bezighoudt. We verzuchten wel eens dat als al die beesten uitgebroed zijn wij oververmoeid en met een postnatale depressie achterblijven, omdat het waterbergingsgebied zeer geschikt is voor de vogels, maar in het broedseizoen nog niet voldoende beschermd is tegen mensen en loslopende honden. Wat borden met informatie voor wandelaars zouden al heel wat verschil maken.

Wat laat in het broedseizoen hadden Pa en Ma Nijl (Nijlganzen) zich in het gebied gevestigd. Trots liepen ze rond met hun zes kleine Nijltjes. De ouwe Canadees die zich toch wat alleen voelde nu alle andere Canadezen waren vertrokken, zocht toenadering. In het begin moest de familie Nijl daar niets van weten, maar de ouwe Canadees hield moedig stand en adopteerde het hele gezin. Als een oma/opa waggelde hij op zes meter achter het gezinnetje aan. Als zij gingen zwemmen, ging hij ook zwemmen. Op een gegeven moment hoorde hij er echt bij. Soms mocht hij zelfs even op het kleine spul passen als pa en ma Nijl even een momentje voor zichzelf nodig hadden. Grappig eigenlijk dat de ouwe Canadees wist dat de familie Nijl ook uit ganzen bestaat. Dat de ouwe zich niet bij de groep meerkoeten aansloot is logisch, die hebben een heel ander model. Maar ondanks dat de zwanen eigenlijk meer het formaat van de ouwe Canadees hebben en ze, net als de familie Nijl een andere kleur hebben dan de ouwe, sloot hij zich niet bij ze aan. Nou zijn die zwanen natuurlijk ook wel knap arrogant….

Zo ontroerend als het is om de ouwe Canadees en de familie Nijl samen te zien optrekken, zo triest is het dat de ouwe Canadees waarschijnlijk niet weet dat de Nijltjes straks gaan emigreren en hij alleen achterblijft.